|
Barcelona! Nu, na enige hersteltijd, komen de herinneringen boven, nog niet volledig maar in flarden. Ik denk dat ik het een en ander verdrongen heb. Remon voorvoelde het, en bedacht zich net op tijd, een instinctieve angst.  Een Easyjetvlucht vanaf Schiphol, dat weet ik nog, daar begon het mee. Niets aan de hand, een mannenweekend als alle andere, zij het op een bijzondere plek, totdat Floris uit de kast komt en bubbeltjesrosé bestelt. Francisco doet mee want die doet altijd mee, zoals nog zou blijken, en hij houdt nooit, nooit op, kent geen genade. Roze prikwijn, op dat moment begonnen de zaken te kantelen. De landing, de luchthaven, een rit in een geblindeerde maffiozenbus, het hotel waar ik sterven zou, in fragmenten komt het voorbij. Dan de verschrikkelijke Catalaanse nacht. Tapas, tapas, niets dan tapas, en een friszure witte wijn. ‘Vooral lekker als je iets vettigs hebt gegeten’, giechelt Vincent, terwijl hij nog een glas achter nog een tapas aangiet, ‘al maak ik bezwaar tegen het sulfiet’. ‘Verdomme Rien, zit niet te prakken’, schreeuwt Wouter, ‘dat hoort niet bij tapas. Kent deze tafel dan helemaal geen manieren!’ Rien prakt rustig voort en maakt een kuiltje voor de jus. ‘Kijk’, legt hij uit, ‘het is een misverstand te denken dat wij ons aan de Spanjool moeten aanpassen. Als je het mij vraagt dan wonen die mediterrane types toch vooral rondom de Middellandse Zee. Ik ben trouwens kind aan huis in dit Olympische haventje, al talloze keren naartoe genavigeerd, ook wel met ketelbink Prins geloof ik. En dan met de hele crew tapas stampen. Maar een kuiltje maken blijft moeilijk. Hé, Juan Carlos, kompt er nog jus?’ Maar jus dat was er niet, wel sulfietwijn, liters. Dan naar de wannabedisco’s. Niks aan de hand. Gaan we altijd heen. Eventjes verveeld aan de bar hangen, oppassen dat Herbert geen klappen oploopt, en ten slotte rustig afpilsen met een kaartspelletje. Maar vannacht niet. Vannacht drinken we eerst alles op, tot er niets meer over is, en dan gaan we godbetere dansen! Het dreunende stampen van de geluidsinstallatie, flitsen blauw, rood, groen licht. Er is teveel herrie om te praten, behalve op het toilet. Bij de urinoirs ontstaat internationale verbroedering. ‘Yes, we are the Dutch delegation, we come here to drink everything op, durch unsere trockene Kehlen’, legt Roel uit aan een Zwitser die slapende watert, en over eigen en andermans schoenen zeikt. Niemand wordt kwaad. Hartelijk timmert men elkaar op de schouders. ‘It has alway been one of my firmest opinions, that Catalonia is far far superior to the Castilean region’, oreert Roel. De Zwitser slaapt en watert voort. Herbert demonstreert met meters toiletpapier hoe torero Juan Belmonte Garcia in de arena zijn cape placht te hanteren, en niemand slaat hem in het gezicht. Een Italiaan speelt voor stier. Intussen zit Marc in het geheel niet aan Roemeense meisjes. Hoe is dat verhaal toch de wereld ingekomen? D’r staat mij in elk geval niets van bij. Dan terug de dreunende herrie in. Iemand probeert naar buiten te sluipen, richting hotel, eindelijk slapen, wat stilte. Maar Francisco staat geen slapte toe: ‘Een verzaker, jongens, onmiddellijk arresteren die man!’ De ellendeling wordt weer naar binnen gesleept. Vanuit geheime zakken diept Perez grote hoeveelheden contanten op en buldert: ‘Eerst moet hier alles op, dan naar de Roemeense disco! Ober, aannemen, rosé gaseoso voor de hele tent nondeju!’ Roemeense disco. Beelden van Ceaucescu’s proces, een schorre oude man schreeuwt dat hij de rechtbank niet erkent. Ik ben het met hem eens, ik erken deze disco niet. Iedereen kan wel zeggen dat zijn tent Rumanian is; men schenkt hier Hollands bier in Duitse pullen, en de meisjes, waar Marc absoluut niet aan zit, komen uit Polen. De muziek ook hier hard, harder, en gekleurde lichtjes, fel, feller, glitterpakjes glinsteren. De DJ is niet Jan-Willem maar toch knettergek. De zaken raken in een versnelling, draaien ook, rechtsom vooral.
Dan een taxi, of een voettocht, of allebei. Hotel, bed, een zwart gat. Marc snurkt, en slaapt de slaap der onschuldigen. De volgende ochtend de hel. Schel daglicht boort zich door uitgedroogde ogen de schedel in en teistert een verdord brein. Pusherman Prins fixt bij dealer Wouter analgetica. Perez zit alweer aan het ontbijt en drijft de troepen binnen de kortste keren op fietsen door de nauwe stegen van de binnenstad. Fietsen kunnen de heren wel, ook met houten hoofd, ook in de brandende zon, maar er zijn pauzes die je nekken, met tapas, wat anders? En een drankje erbij, tegen de dorst, wat dacht u meneer? Fietsen, eten, drinken, drinken, eten, fietsen. Korte boetedoening bij de basiliek. Even een hazenslaapje. En de schemering kondigt een tweede nacht van verschrikkingen aan. Tijd voor afwisseling: Tapas met spiesjes en futbol. Een ober telt tot tachtig, mept Herbert niet, en zal erover schrijven in zijn dagboek: Ochenta! Rien, onvoorspelbaar als altijd, prakt de hapjes vanavond niet. Vincent maakt bezwaar tegen het sulfietgehalte en bestelt meer vino. Marc houdt zijn handjes als altijd keurig thuis. Floris begint te beseffen wat hij in gang heeft gezet met die fatale vliegtuigrosé, maar kan niet stoppen wat onherroepelijk komen gaat. Roel en Wouter proberen uitstel te kopen door met lichtgevend kinderspeelgoed op Catalaanse balcons te vuren. De futbollers spelen gelijk, wat ook niets uitmaakt, want het is toch niet te stoppen, want daar komen de vissenkommen met rumcola al door. De muziek zwelt weer aan, gekleurde lampen floepen aan en uit, Francisco’s buidel barst open, Marc houdt de handen in de zakken, goudvissen happen op de bar naar adem, taxi’s suizen door de stad, Floris boekt last minute kamers in het Hilton, Rien prakt zijn bier, Vincent schuimbekt van de sulfietvergiftiging, de stad raakt in een draaikolk en iedereen draait mee, Wouter roept om zijn moeder, ik om de mijne, maar ze zijn er niet en niemand komt ons helpen. Montserrat Caballé en Freddy Mercury duiken van achter wijnvaten op en vatten alles in één woord samen: ‘Barcelona!’ |